HB-WIKI – Basisbegrippen met betrekking tot hoogbegaafdheid duidelijk uitgelegd

Visies op hoogbegaafdheid

Verschillende uitgangspunten en definities

Wat is hoogbegaafdheid eigenlijk? Er is niet ťťn definitie voor – er zijn er honderden, alle met hun eigen modellen. Als introductie volgen hieronder enkele voorbeelden van twee complementaire manieren waarop je hoogbegaafdheid kunt definieren. Daarna volgen enkele belangrijke kanttekeningen bij het begrip 'hoogbegaafdheid'.

a. Exclusieve definities

In dit type definities wordt de uitzonderlijkheid van hoogbegaafdheid benadrukt, vaak in absolute zin: je bent het of je bent het niet. Aanhangers van zulke definities stellen strenge en meetbare randvoorwaarden aan de term hoogbegaafdheid, bijvoorbeeld "een IQ boven 130". Iemand met een score van 128 is volgens een exclusieve redenering dus niet hoogbegaafd. Ook op andere dan cognitieve gebieden komt deze benadering voor.

Voorbeelden
  • Scholen die een leerling alleen laten meedoen aan een honours programma als hun cijfers boven een bepaalde minimumgrens liggen.
  • Modellen die begaafdheid definiŽren op basis van getoonde prestaties, zoals het Triadische Interdependentiemodel,* en de daaraan verwante modellen van Heller en Gagnť (zie: www.hiq.nl).
  • De Mensa-test die op basis van een intelligentiescore bepaalt of iemand lid mag worden of niet.
  • De stelling (in muziek, theater, beeldende kunst, sport enz.) "Je hebt het [talent] of je hebt het niet!"
  • Het van oudsher veelgebruikte gezegde "Een dubbeltje wordt nooit een kwartje."
* Althans, in de beperkte uitleg die er doorgaans aan wordt gegeven. Het Triadische Interdependentiemodel is nooit bedoeld geweest als definitie van hoogbegaafdheid. Het ging de onderzoekers die het opstelden (MŲnks et. al.) o.b.v. een eenvoudiger model van Renzulli er vooral om, in kaart te brengen welke factoren van invloed zijn op het tot bloei komen van in aanleg aanwezige ('potentiŽle') begaafdheid. De focus van deze onderzoekers lag dus meer op beÔnvloedingsmogelijkheden dan op de geleverde prestaties zelf. (Bron: persoonlijk contact met de onderzoekers.)
b. Inclusieve definities

Dit type definities is breder, minder goed meetbaar en mede daardoor minder goed wetenschappelijk te onderzoeken. De aanhangers ervan benadrukken de bijzondere kenmerken van hoogbegaafdheid. Het beeld is doorgaans dynamisch: hoogbegaafdheid en bijbehorende kenmerken worden gezien als een positie in een spectrum, in plaats van als een absoluut te onderscheiden categorie. Hoogbegaafdheid is in deze opvatting een relatief begrip: men kan het meer of minder zijn.

Voorbeelden
  • Kerr en Cohn geven in het boek Slimme jongens (2009) het voorbeeld van een jongeman die zich wist te ontworstelen aan de greep van een jeugdbende in een getto en erin slaagde om een middelbare beroepsopleiding te voltooien. Het absolute niveau dat hij bereikte was weliswaar niet extreem hoog, maar de vooruitgang ten opzicht van zijn uitgangspositie was enorm.
  • Het Delphi-model Hoogbegaafdheid, een brede omschrijving die in 2007 werd opgesteld door Maud Kooijman-van Thiel samen met een panel van twintig experts uit Nederland.
  • Mary-Elaine Jacobsen (1999) spreekt van intensity, complexity en drive (intensiteit, complexiteit en gedrevenheid) als belangrijkste kenmerken van hoogbegaafdheid.
  • Howard Gardner (2002) spreekt van meervoudige intelligenties (hij onderscheidde er eerst zeven, later acht en zelfs negen). Iemand kan op de ene intelligentie hoger scoren en op de andere lager; beiden zijn dan op hun gebied 'hoogbegaafd'.

Aangeboren, maar niet altijd gerealiseerd

Zolang het begrip bestaat, is er discussie over de vraag of hoogbegaafdheid aangeboren is of verworven. Onder wetenschappers op dit gebied is inmiddels een redelijke mate van consensus over de stelling dat de mogelijkheden die een mens heeft voor een groot deel aangeboren zijn, maar dat lang niet iedereen hier ook uitzonderlijke prestaties mee bereikt. Het komt tamelijk veel voor dat mensen die in bepaalde opzichten zeker hoogbegaafd zijn niet extreem hoog scoren op een IQ-test. Dat kan komen doordat de begaafdheid zich vooral uit op andere gebieden dan cognitie, door bijkomende factoren zoals dyslexie en dyscalculie, en ook door psychologische factoren zoals faalangst en gebrek aan motivatie. De vragen waarom hoogbegaafdheid lang niet altijd tot bloei komt en hoe je (in aanleg) hoogbegaafde mensen zou kunnen helpen om hun mogelijkheden te realiseren, zijn belangrijke redenen voor het bestaan van verenigingen, stichtingen en andere organisaties die zich bezighouden met hoogbegaafdheid, intelligentie, talent (begaafdheid), excellentie (uitblinken) - om maar een aantal veelgebruikte termen te noemen..

Hoogbegaafd, hoogintelligent of talentvol?

'Hoogbegaafd' is het beste op te vatten als een relatief begrip, en 'hoogintelligent' als ťťn van de vormen van hoogbegaafdheid. Het begrip 'cognitieve intelligentie,' zoals gemeten met een intelligentietest, is aanzienlijk beperkter dan het begrip 'hoogbegaafdheid'. We zouden hoogintelligente mensen daarom eigenlijk beter 'intellectueel hoogbegaafd' kunnen noemen dan 'hoogbegaafd' zonder meer. Hoge (cognitieve) intelligentie komt voor in veel definities en modellen van hoogbegaafdheid, en ook in modellen met betrekking tot bijvoorbeeld creativiteit en talentontwikkeling. Dat is op zich niet zo'n wonder: op om het even welk gebied is immers een flinke portie intelligentie nodig om te kunnen uitblinken - dat geldt zelfs in de sport. Bij cognitieve intelligentie hanteert men vaak een score in de bovenste 2% van de bevolking als minimum om iemand 'hoogbegaafd' te noemen. Het bijbehorende IQ-getal is afhankelijk van de test; in veel gangbare tests is dat een waarde vanaf ongeveer 130. Deze mensen zijn daarmee, in elk geval in statistisch opzicht, uitzonderlijk. Wanneer iemand uitzonderlijke prestaties levert op ťťn terrein, spreekt men doorgaans over 'talent' (bijv.: muzikaal, atletisch, schaak-). De grenswaarde om als 'talent' te kunnen gelden, komt meestal voort uit de praktijk: er is maar weinig ruimte aan de top. Alleen de allerbesten krijgen dit predicaat.

Neurofysiologische kenmerken

Door het beschikbaar komen van nieuwe beeldvormende technieken zoals PET, SPECT, MRI en DTI, en geavanceerde registratie en analyse van hersenactiviteit middels QEEG, kan men de laatste decennia tal van interessante verschijnselen steeds beter in kaart brengen. Dat heeft geleid tot een aantal ideeŽn over hoogbegaafdheid die weliswaar niet onomstotelijk vaststaan, maar waarover wel een redelijke mate van overeenstemming tussen wetenschappelijk onderzoekers bestaat:

  • Prikkels vanuit de zintuigen komen snel binnen en worden snel doorgeleid.
  • Er is een zeer snelle feedback in de hersenen.
  • Het denken voltrekt zich in parallelle processen en beelden.
  • Grote hoeveelheden data worden efficiŽnt geassocieerd en verwerkt.

Het eerstgenoemde kenmerk - snelle prikkelgeleiding - wordt ook in verband gebracht met hooggevoeligheid.

Conclusie

Wat hoogbegaafdheid volgens een 'expert' is, hangt dus in hoge mate af van hoe die ernaar kijkt. In zekere zin is wat we verstaan onder 'hoogbegaafdheid' niet meer dan een afspraak. Wetenschappelijk onderzoek brengt steeds nieuwe stukjes van de puzzel aan het licht, maar roept ook steeds weer nieuwe vragen op. Het menselijk brein wordt wel het meest complexe bekende object in het universum genoemd. Het laatste woord zal er niet snel over gesproken zijn.

Dit artikel is ontleend aan de voormalige Kenniswiki Hoogbegaafdheid (HB-wiki)

Verder lezen
  • Gardner, H. Soorten intelligentie. Amsterdam: Nieuwezijds, 2002.
  • Jacobsen, M-E. The Gifted Adult. Ballantine Books, 1999.
Terug naar hoofdpagina »